Ieder eerste zaterdag van de maand een Inloopdag behalve de maand augustus.
De LV-INOG is een Zelfhulpgroep waar het vertrouwen bij ons voorop staat.
Zes maal per jaar een uitgave van de MajalahBulanan voor en door de naoorlogse generatie.
Tijdens de inloopdag van juli is er de DoeDag een kumpulan voor het afsluiten van het seizoen.
Ieder maand versturen wij onze Nieuwsbrief naar honderden lezers.

Ontevreden

Bij de Indische gemeenschap overheerst het gevoel kind van de rekening te zijn geworden bij de dekolonisatie. Eerst moesten de Indische Nederlanders Indonesië ontvluchten omdat zij door Indonesië als de vijand werden gezien en vervolgens werden de Indische repatrianten in Nederland niet met open armen ontvangen.

Velen waren daar uiterst verongelijkt over, temeer omdat zij in Nederlands-Indië altijd voor en onder de Nederlandse vlag hadden geleefd; zij hadden de Nederlandse belangen trouw gediend. Ook de Kerk had de Indische Nederlanders in de steek gelaten. De Indische Nederlanders waren in Nederlands-Indië de grootste groep christelijken,maar werden tijdens en na de bersiap-periode niet opgevangen door de Kerkelijke instanties, terwijl men dit wel had verwacht. Deze waren namelijk bang dat zij met openlijke steun aan de Indische Nederlanders hun missionarissen in de nieuwe republiek Indonesië in gevaar zouden brengen. De Indonesische republiek groeide uit tot de grootste moslim-staat ter wereld.

1947-1951

Toen in de periode 1949-1951 een tweede instroom van Indische Nederlanders kwam, zo'n 43.000 personen, besloot de overheid de opvang meer te verspreiden over Nederland. Tijdens de eerste instromingsgolf waren de meeste mensen specifiek in en rond Den Haag en in de Veluwezoom terechtgekomen. Nu moest dat anders om een concentratie te voorkomen, die de integratie zou bemoeilijken. In tegenstelling tot de eerste stroom wilde de tweede (en later de derde) stroom Indische Nederlanders zich in Nederland vestigen. Er zouden dus in bepaalde gebieden, waar de instroom hoog was, een hoog percentage van Indische Nederlanders wonen omdat de uitstroom naar bijvoorbeeld Noord-Amerika,Canada en Australië verminderden.

De overheid zag daarin het 'gevaar' dat Indische Nederlanders in bepaalde gebieden de arbeidsmarkt zouden overstromen wat slecht zou zijn voor de Nederlandse economie. Daarnaast zou concentratie als gevolg hebben dat er in verschillende steden ghetto-vorming en ontevredenheid jegens de Nederlandse staat zou ontstaan (vergelijkbaar met de immigranten-probleem in Noord-Amerika destijds). Aan Indische Nederlanders die een militaire functie hadden in het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) werden daarom functies binnen het KNL (Koninklijk Nederlands Leger) aangeboden in deze periode. Zij zouden van dienst zijn bij het herstellen van het Nederlandse leger dat zich aan het herorganiseren was na de tweede oorlog. Deze groep Indische Nederlanders kreeg woonvoorzieningen aangeboden in gemeenten nabij militaire kazernes. Mede daardoor werd de concentratie verspreid. Toch had de Indische gemeenschap nog een groot aantal personen die geen militaire functie had. En er waren signalen dat er nog een derde stroom uit Indonesië kon worden verwacht. Er moesten meer maatregelen worden gedaan om de Indische Nederlanders nog sneller te verspreiden.

Om dit te verwezenlijken werden nieuwe - tijdelijke - wetten in werking gesteld: Gemeenten die Indische gezinnen geen voorrang gaven bij het toewijzen van huizen, kregen eerst te maken met de 'Woonruimtewet 1947' en later met de 'Wet huisvesting gerepatrieerden 1950'.

Deze wetten gaven de provinciale inspecteurs van de Dienst Maatschappelijke Zorg de bevoegdheid om woningen te vorderen voor het plaatsen van Indische Nederlanders. Het Centraal Bureau Verzorging Oorlogsslachtoffers hielp de Indische Nederlanders aan woningen. Maar slechts 20% van de Indische Nederlanders maakten hiervan gebruik. Liefst 80% van de Indische groep kreeg zelfstandig een onderkomen. Vaak was dit bij familie of kennissen die door een eerdere immigratie in Nederland waren gekomen. In 1948 werd het Centraal Bureau Verzoring Oorlogsslachtoffers opgeheven. De Indische evacuès werden overgedragen aan de Dienst Maatschappelijke Zorg.

In 1949 werden pensionhouders en particulieren opnieuw opgeroepen om Indische evacuès op te vangen. Een contract verzekerde de particulieren van een financiële tegemoetkoming. In de pensions waar Indische Nederlanders werden opgevangen kwam de luxe en hygiëne van de pensions niet overeen met de gevraagde huurprijs. Voor veel minder geld kon men vaak tijdelijk bij familie inwonen. De vraag naar opvangruimte bleef echter aanhouden en de overheid heeft in deze periode zelfs leegstaande landhuizen in Noord-Holland en Utrecht afgehuurd om evacuès te plaatsen. Na 5 maanden opvang moesten de Indische Nederlanders zelfstandig een woonruimte zoeken.

Eind 1949 werd er een eind gemaakt aan de bijzondere voorziening omtrent dubbele stamkaarten. Na die tijd was er geen speciale regeling meer waar Indische Nederlanders en Nederlandse oorlogsslachtoffers recht op hadden. Rond 1950 werd de georganiseerde opvang stopgezet. Contracten met pensionhouders en particulieren werden opgezegd en daarmee moesten veel Indische Nederlanders zelfstandig een woonruimte zoeken. Indische Nederlanders die geen familie hadden in Nederland en die niet in aanmerking waren gekomen voor de huisvestingswetten vielen tussen 1945 en 1951 ten prooi aan hoge kamerhuur en slechte accomodatie. Door de 'Wet huisvesting gerepatrieerden 1950' kwamen een aantal Indische Nederlanders alsnog aan een woning.

Na 1950

Daarnaast werden in de periode 1950-1951 de eerste twee barakken van het voormalige concentratiekamp Westerbork onder de naam Schattenberg als opvangwoonruimte gebruikt voor Indische Nederlanders. De Nederlandse overheid had echter niks aan het kamp veranderd, dus toen de eerste Indische Nederlanders arriveerde was het nog steeds in dezelfde staat als vijf jaren ervoor: een omheining met prikkeldraad, een slagboom en wachtpost bij de ingang.

Het merendeel van de Indische Nederlanders, die voornamelijk in die periode rechtstreeks uit japanse ex-interneringskampen uit Thailand, Singapore en Maleisië kwamen, had geen goed gevoel bij het idee om nog eens enkele jaren in een "kamp" te moeten verblijven voordat zij een woning kregen toegewezen. Zij maakten dus rechtsomkeer nadat zij het kampement zagen en keerden grotendeels terug naar Amsterdam en Rotterdam in de hoop daar onderdak te vinden bij doorgaans verre familieleden.

Schattenberg werd na 1951 gesloten als opvangvoorziening voor Indische Nederlanders, in de periode daarna werd Schattenberg als woonoord toegewezen voor de opvang van Molukkers.

Tussen 1952-1955 volgde de derde stroom Indische Nederlanders van zo'n 45.000 personen. Deze groep vertegenwoordigde de zogenoemde 'lagere sociale klasse' uit het toenmalige Indië. Zij waren nog nooit in Nederland geweest, omdat zij tijdens de kolonisatie geen geld of tijd kregen om tijdens verlof of vakantie naar Nederland te gaan. Zij werden 'verdeeld' over Nederland door middel van de inmiddels opgezette wetten en toewijzigingen omtrent woonvoorzieningen.

Knelpunten

Armoede, weinig eten en kleding kunnen kopen en het ervaren van sociale uitsluiting door hun uiterlijk en uispraak, evenals onbegrip en desinteresse voor hun oorlogservaringen kenmerkt de situatie van veel Indische Nederlanders in die tijd. Door het kamp hadden zij ook een sociale achterstand; vanuit gevangenschap waren zij in een hectische golf van veranderingen terecht gekomen en hadden zij geen kans gehad om zich ergens te vestigen. Veel Indische Nederlanders moesten ervaren dat de doorsnee Nederlander niks over Indië wist.

Dit zorgde voor pijnlijke en emotionele botsingen tussen de culturen. In enkele pensions kregen Indische Nederlanders geen bestek: "Jullie eten toch met jullie handen? Stel je dan niet aan!" Indische Nederlanders waren ook allemaal bruin volgens de doorsnee Nederlander. Ook de Indische Nederlanders die licht van kleur waren of meer europese uiterlijke kenmerken hadden kregen  het zwaar te verduren; "Praat toch Nederlands zonder accent, je bent toch blank!"

Nederlanders die tijdens de kolonisatie getrouwd waren met een Indische kregen na terugkomst in Nederland commentaar van hun Nederlandse familie. Enkelen werden buitengesloten en kregen allerlei vragen die geen enkel begrip inhielden voor de situatie in de kolonie: "Waarom moest je met zo'n halve zwarte trouwen?" Nederlandse families kwamen niet naar gemengde bruiloften en geboorte's. Door deze situatie gingen veel Indische familie's steun zoeken bij elkaar. Sommigen vertrokken na de eerste maanden van de opvang naar Californië en Brazilië, die in tegenstelling tot Australië en Nieuw-Zeeland, wel Indische Nederlanders opnamen.

Veel Indische jongeren begonnen zich af te zetten op de Nederlandse maatschappij en de overheid. Deze jongeren konden niet tegen de slechte werking van de overheid en de tegenslagen. De groep was opgegroeid in de gevangenkampen en hadden door hun confrontatie met het Japanse gezag een hekel gekregen aan regels en vooroordelen. De kwetsende uitspraken vanuit de Nederlandse gemeenschap tegen Indische Nederlanders, zoals, 'Blauwen' en Indië noemen als 'Apenland', zorgden enkele malen voor hevige bostingen tussen Indische jongeren en de Nederlandse maatschappij in zijn algemeen. Omstreeks deze tijd waren er ook vechtpartijen tussen Indische en hollandse jongeren in Den Haag.

Warga negara

Maar niet de gehele Indische bevolking negeerde de uitspraak van Commissaris A.Th.Lamping. Veel weifelaars waren door deze oproep Indonesiër (warga negara) geworden en twee jaar na de soevereiniteitsoverdracht hadden 13.739 gezinnen, totaal zo'n 31.000 personen, deze optie genomen. Ze namen die stap wel zonder te beseffen dat de invloed van het Nederlandse en Europese bedrijfsleven in de loop van de jaren vijftig zou verdwijnen in de Indonesische samenleving.

In de beginjaren van de Indonesische republiek zagen veel Indische mensen hun toekomst in Indonesië somber in en liepen met het plan rond alsnog naar Holland te migreren. Formeel kon dat, omdat de Nederlandse regering sinds 1957 een speciale regeling had getroffen voor ex-Nederlanders die hun keuze voor het Indonesische staatsburgerschap betreurden. Deze spijtoptanten vormden in 1957-1958 de vierde golf die zonder al teveel moeite werd geplaatst in Nederland. *Exclusief de Indische Nederlanders die na de overdracht van Nieuw-Guinea naar Nederland kwamen.

Contact Opnemen

inoglogoLV-INOG
Postbus 2004
1200 CA Hilversum

tel.: 035-6839579
e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Nieuwe Bezoekers

Nieuwkomers, welke tot de doelgroep horen en nog geen lid zijn, zijn meer dan welkom. We bieden hen de gelegenheid eenmaal de inloopdag bij te wonen ter kennismaking. Daarna is een bijdrage van € 7,- verplicht per bezoek tenzij een lidmaatschap is aangegaan.