- Inloopdagen
- Zelfhulpgroep
- Majalah Bulanan
- DoeDag
- Nieuwsbrief
Zo’n onderzoek naar het leven in Indonesië zint sommige mensen niet. Waarom niet? Ik denk dat de reden daarvan – en dan raken we meteen de kern – ligt in de wrok die een aantal Indische mensen tegen Indonesië, maar ook tegen Nederland voelt.
Die wrok is natuurlijk voorstelbaar: Indonesië, waar de Indische mensen (en in het bijzonder de Indo-Europeanen, want daar gaat het hier vooral om) vandaan komen en familie hebben, heeft de Indo-Europeaan verbannen van zijn geboortegrond. Zo in ieder geval zien een aantal Indo-Europeanen, maar ook belanda ’s oftewel Indischgasten dat, en niet zonder reden. Dat maakt ze nog altijd verdrietig, boos en zelfs onverzoenlijk. Onverzoenlijk ten opzichte van de Nederlandse overheid die de Indo-Europeanen in de kou liet staan. En onverzoenlijk ten opzichte van die Indonesiërs die, ook uit wrok, Indo-Europese en in het algemeen Indische medeburgers die niet hun kant gekozen hadden, in de bersiap-periode vreselijk behandelden waarna ze de overlevenden het leven zo zuur maakten dat die liever vertrokken naar Nederland.
Wat nu is er aan die wrok te doen? Helpt het als geschiedschrijvers en journalisten, televisiemakers en radioreporters nog weer eens de geschiedenis vertellen van wat er is gebeurd vòòr en nà 1950 vanuit het Indo-Europees dan wel het Indisch perspectief?
Huib Deetman die mij op deze site voorging als columnist, meent van wel. In zekere zin heeft hij gelijk: aandacht is balsem voor de gekwetste ziel en dat er vele Indische mensen inclusief de Indo-Europeanen gekwetst zijn, behoeft geen betoog. Dat zij Indonesiërs gekwetst hebben door neer te kijken op de ‘inlander’en het nationalisme af te wijzen, behoeft evenmin betoog.
De ommezijde van de medaille geeft een heel ander antwoord op de vraag wat het beste helpt. Het centraal stellen van de Indo-Europeanen in een geschiedschrijving over de dekolonisatie is onwerkelijk. Indo-Europeanen leefden in Indonesië niet op een eiland en vormden ook geen samenhangende gemeenschap. Er waren rijke en arme Indo-Europeanen, er waren stadsmensen en plattelandsbewoners. Er waren mensen die geen onderscheid maakten tussen inheemse en Europese familieleden en mensen die neerkeken op familie met een donkergekleurde huid, zelfs als die ook Indo-Europees was. Er waren hoogopgeleide mensen die vlekkeloos Nederlands spraken en mensen die alleen ‘petjôh’ spraken, mensen die geen woord Nederlands kenden, mensen die vloeiend Maleis spraken en ook nog Javaans of een andere regionale taal, en weer andere mensen die van alles een klein beetje en niets goed spraken. Sommigen waren klerk, anderen planter; sommigen waren erkend door de vader, van anderen waren de ouders wettig gehuwd; weer anderen kenden hun moeder die naar de kampong was teruggezonden helemaal niet. Al die mensen hadden hun eigen plaats in het totaal, en hun leven is onbegrijpelijk als de geschiedschrijver dat niet terugplaatst in het totaal van de (post-)koloniale maatschappij. Indo-Europeanen leefden net als de belanda ’s en de inheemsen, de Chinezen, de Arabieren of de Armeniërs in hetzelfde koloniaal bestel. Allen, of ze nu blank of bruin waren, belanda of Chinees, leden onder de Japanse bezetting. De bersiap-periode werd door iedereen die niet door het dolle heen was, als een gruwelijke periode ervaren en voor velen was het de schandvlek op de Revolutie. Allen probeerden de Revolutie te overleven, en allen zagen hoe de verpauperde koloniale staat tot nieuwe republikeinse natie-staat werd.
Dat is de context, het grote geheel, waarin niet zomaar verliezers en winnaars waren, maar waarin velen verloren: ook inheemse families werden verscheurd door politieke ruzies, mensen van alle soorten en van iedere herkomst raakten displaced en verloren have en goed, Indische èn Indonesische moeders treurden om hun gesneuvelde zonen, hun vermoorde kinderen, hun gevallen mannen. Dat is iets dat ze deelden; wat ze niet deelden was de macht. De macht was nu voor de meerderheid, die inheems was; die bepaalde voortaan het lot van het land en werd tenslotte van decorstuk tot hoofdpersoon.
Ik kan me heel goed voorstellen dat een aantal Indo-Europeanen daar niet graag over wil lezen; in dat grote geheel van een koloniale staat die een onafhankelijke natie-staat wordt, spelen ze een bijrol en geen hoofdrol. Dat is vrij pijnlijk. En toch zou het goed zijn als ze zich daarmee zouden kunnen verzoenen. Zoals Het Gebaar een gebaar van verzoening was, zou het Breed Historisch Onderzoek een periode kunnen inluiden waarin de wrok opzij gezet wordt en men kennis neemt van de geschiedenis van die meerderheid waar – en dat is wat zo schrijnend is – men zelf van afstamt maar geen deel (meer) van is. Alleen een brede context kan verduidelijken welke positie men er wel bezette en waarom die verloren ging.. En ook het vervolg, de periode na 1950, is belangrijk: de geschiedschrijving daarvan moet laten zien hoe het land van herkomst zich verder ontwikkelde en waaròm er geen weg terug meer was.
Als de mensen die nu te hoop lopen tegen het Breed Historisch Onderzoek klagen dat ze een volk zonder geschiedenis zijn, hebben ze gelijk. Maar als ze zelf in de geschiedschrijving centraal willen staan en niet open kunnen staan voor hun land van herkomst in het algemeen, zullen ze ook nooit geschiedenis krijgen. De geschiedenis schep je zelf, door te luisteren naar wat anderen vertellen. Als je omkijkt in wrok, zie je niets.
Ik denk dus dat het NIOD haar plannen moet uitvoeren. Maar reserves heb ik wel: wat straks gepubliceerd wordt, zou in mensentaal geschreven moeten worden zodat een breed publiek er iets aan heeft. Honderdduizenden mensen in Nederland hebben langs één of andere weg een band met Indonesië, en de Indies industry van pasar malams, krontjongbands, makan-makan enak en coffee-table books met dromerige dames in het wit op handgemaakt koloniaal meubilair heeft dat beter begrepen dan de wetenschappelijke instellingen. Daar wordt wel veel geschiedenis geschreven, maar vaak zo ontoegankelijk dat mensen liever grijpen naar ‘De eeuw van mijn vader’ van Geert Mak, naar ‘Oeroeg’ en ‘Sleuteloog’ van Hella Haasse, naar Helga Ruebsamen of naar Adriaan van Dis en de vele andere auteurs in wier werk de inheemsen zelden meer zijn dan decor. Zoals ze dat waren in tempo doeloe.
LV-INOG
Postbus 2004
1200 CA Hilversum
Nieuwkomers, welke tot de doelgroep horen en nog geen lid zijn, zijn meer dan welkom. We bieden hen de gelegenheid eenmaal de inloopdag bij te wonen ter kennismaking. Daarna is een bijdrage van € 7,- verplicht per bezoek tenzij een lidmaatschap is aangegaan.